In mijn jonge jaren las ik op aanraden van mijn broer de twee bestsellerromans van Louis-Ferdinand Céline. Een Franse schrijver die zijn hoogtepunt had in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Destijds was het een complete shock voor de literatuur. Nog nooit had iemand zo geschreven, bijna vulgair. Dat kon toch geen literatuur zijn. Maar een paar decennia later heeft hij hele generaties schrijvers geïnspireerd. In een interview zei Céline ooit dat toen de film zijn intrede deed, het onzinnig was om nog verhalende romans te gaan schrijven. Een roman moest enkel emotie zijn, dat was de werkelijke intentie van literatuur.
Céline werd eind jaren dertig uitgekotst, een vulgaire anarchist met antisemitische uitlatingen. Moest in ’44 Frankrijk ontvluchten om niet het leven te laten. Werd uiteindelijk in Denemarken opgepakt en veroordeeld voor landverraad. Kreeg gelukkig gratie en kwam in de jaren ’50 weer terug in Frankrijk. We hebben het hier over een zeer fout mannetje. Maar hij was ook al die jaren huisarts, voornamelijk voor de armen. Groter kon het contrast niet zijn. Ik bezit een prachtig exemplaar van Bzzlletin, hierin wordt het leven, zijn werk en zijn literaire invloed beschreven. Veel beter dan ik hier kan.

Maar ik heb Céline enkel gekend als de schrijver van met name “Reis naar het einde van de nacht” en “Dood op krediet”. Twee anarchistische meesterwerken, wereldwijd geprezen door de literatuurkenners. In de “Reis” beschrijft hij het ‘menselijk tekort’. De hoofdpersoon meldt zich als jonge rekruut vrijwillig voor het leger (1914-1918) en komt in een vreselijke hel terecht. Céline is één van de eerste schrijvers die de oorlog niet meer als een heldendaad ziet maar als een politiek slachthuis. Een waanzinnig intense beschrijving. De “Reis” vervolgt later in het koloniale Frankrijk, in Afrika en in het industriële Amerika en eindigt weer in het vervallen Parijs, de opmaat voor een volgende wereldoorlog is duidelijk te zien.

Zijn tweede roman, de “Dood”, is eigenlijk het verhaal van de zelfde hoofdpersoon, maar dan in zijn jeugd. De ik-figuur in beide boeken is gebaseerd op Célines eigen leven, grotendeels autobiografisch. Het ‘menselijk tekort’ is hier persoonlijker geworden, de relatie van Céline tot zijn burgerlijke ouders en zijn eerste pogingen op eigen benen te staan. Wederom een intens en emotioneel boek.
Ondanks alle problemen die de hoofdpersoon voor zijn kiezen krijgt, lopen je de tranen veelal over de wangen… niet vanwege het drama, maar vanwege het lachen. Zelden heb ik boeken gelezen waar de (zwartgallige) humor van het papier spat. De meeste van zijn boeken heb ik wel 4 of 5 keer herlezen, en nog steeds moet ik ongelooflijk lachen. Wat een kracht. Céline is een meester om het drama op een ongelooflijk cynische manier te beschrijven, met heel veel zelfspot. Héél on-Frans! Eigenlijk moet ik bekennen dat, pas na het herlezen, de humor steeds meer tot mij ging doordringen. De eerste keer was ik nog te veel gegrepen door het drama.
Later begreep ik dat de lijst van grote schrijvers, (ik heb het over de absolute top) die beïnvloed zijn door Céline, enorm is. Velen op die lijst behoorden al tot mijn favorieten. Dus het was niet zo gek dat ik als een blok viel voor zijn boeken. En ja, dat het verder een fout mannetje was… er zijn zoveel foute kunstenaars geweest die nu absoluut opgepakt zouden worden voor hun woorden en daden. Maar die wel musea vol grote kunstwerken of symfonieën en boeken hebben achtergelaten. Ik hoef niet te sympathiseren om toch het werk van de kunstenaar te kunnen bewonderen.
Ga eens naar de bieb, haal de “Reis naar het einde van de nacht” en “Dood op krediet” en ervaar zelf waarom ik dit artikel heb geschreven.
